DE EEUWIG LEVENDE P¨SYCHOLOGIE

in de Bhagavad Gîtâ

Swâmi Râma

Inleiding

Als bij wonder viel ons het boek in handen van Swâmi Râma : “The Perennial Psychology” dat recent een nieuwe druk kende. Begeesterd door het nieuwe licht dat aldus op een heel ander aspect van de Bhagavad Gîtâ valt en zonder hetwelk we als gewone mens nog altijd de sleutel tot de verbinding tussen immanentie en transcendentie niet zo duidelijk zouden vinden, hebben we een vijfde auteur aan ons onderzoek toegevoegd en misschien wel de indrukwekkendste.

De Sâmkhya komt hier ook bij te pas zodat we verplicht zijn geweest een belangrijk deel van de Sâmkhya inzichten hier te belichten. Zo zien we duidelijk dat de verschillende wijsheidsleren elkaar opvolgen en elkaar aanvullen.

Swâmi Râma (1925-1996) was één van de grootste meesters van de Himâlaya traditie en stichter van het Himâlaya Instituut. Hij is geboren in India en kreeg zijn spirituele opleiding in de grottenkloosters van de Himâlaya, later ook nog in Tibet. Bovendien studeerde hij in Europa en was dus bekend met de Westerse Wetenschappen en denkwereld. Het was één van zijn idealen om een brug te slaan tussen Oost en West.

Psychologie in de Bagavad Gîtâ.

De Bhagavad Gîtâ tekst waarin Heer Krishna onderricht is voor de psychologie een eeuwig opwellende bron. Het is de Leer van Krishna met nadruk op het psychisch inzicht in de mens Arjuna en daarmee in alle mensen.

Commentatoren en commentaren analyseren deze psychologische begrippen en maken de bron toegankelijker, elk op zijn eigen manier, voor al wie in de B.G. de toegang tot deze bron wil benaderen. Niemand heeft dit met meer inzet gedaan dan Swâmi Râma.

De diepe psychologische inzichten zijn in de B.G. vervlochten met de inzichten uit de wijsheidsleren zodat het voor degenen die met de B.G. willen werken nodig is deze twee inzichten te onderscheiden om er de praktische psychologische toepassingen uit te halen. Zo kan iedere mens op zijn weg en in zijn sâdhana er een voor hem praktisch nut uit halen.

Vermits het Oosten de zelfrealisatie bekijkt als het doel, de zin van het leven, dienen de wijsheidsleren, plus dit psychologisch inzicht om dat doel, de verbondenheid met het Al-ene, te bereiken.

Het Oosten zoekt antwoord op de vragen : Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waarom? Waar naartoe?… En stelt zich niet tevreden met het louter intellectueel benaderen van deze vragen zoals het gebeurt in het Westen.

Het Oosten leidt de zoekende via een systematische weg naar het direct ervaren van de waarheden van het bestaan vanuit het perspectief van de Zelfrealisatie.

Het is een ontzaglijke weg vooraleer de Ware Yogi, de Voltooide Mens, het ware Zelf kan realiseren. Dan nog is zijn taak niet vervuld voordat hij inziet dat dàt Zelf ook het Zelf is van iedere mens. Dit inzicht noemt de Vedânta Brahma Vidyâ (1).
Dit verklaart waarom de Jîvanmukta, de mens die nog tijdens het leven bevrijd is, tot aan het einde van de tijdsperiode zich nog altijd op het rad van het bestaan en in contact met de wereld en het lijden bevindt. Dan pas kan hij opgaan in het Brahman.

Brahma Vidyâ heeft een diepere zin dan het begrip filosofie in het Westen en is uniek in zijn benadering van “kennis”. Het is “Kennis” die voert naar de realisatie van het Zelf van alles en allen omdat dit alles het Brahman zelf is, omdat alles voortkomt uit het Brahman (Vedânta).

Alle tegenstellingen en onderscheid tussen de levende wezens uit de wereld van verscheidenheid waarin wij leven met ons ik-bewustzijn zijn dan weggevallen. We zien dat filosofie en psychologie hier eng vervlochten zijn. Zonder hulp van de psychologie uit de leringen van Heer Krishna, dit wil zeggen het kennen, analyseren en het leren om deze innerlijke psychische mogelijkheden te benutten, kan de mens het doel “Zelfrealisatie” niet bereiken.

(1) Brahma Vidyâ (Vedânta) : Het weten omtrent het Brahman of de Absolute Werkelijkheid dat zowel wijsheidsleren als ervaringsgerichte disciplines gebruikt die leiden naar het spirituele doel.

Westerse filosofie is hoofdzakelijk intellectueel en houdt zich bezig met de betrekking van de mens tot de wereld, het universum en de status van de mens in dit universum. Door Brahma Vidyâ komt de mens ertoe alle niveaus van zijn wezen te doorgronden en tenslotte zijn Ware Zelf te realiseren.Voor het Oosten is dit het enige en eerste doel van het leven. Dit toont dus de diepe kloof tussen Oost en West, theoretisch zowel als praktisch. (vgl. zondigen is het doel missen! tegenover : op zondigen moet boeten volgen.

De Bhagavad Gîtâ bevat alle filosofische en psychologische principes van het Oosten. In 18 “lessen” worden in elk hoofdstuk de verschillende aspecten van Zelftransformatie beschreven. De commentaar van Swâmi Râma legt de nadruk op het psychologisch principe in elk hoofdstuk.

Het is de bedoeling van de Bhagavad Gîtâ het evenwicht te bewaren tussen het ‘innerlijk of het psychische leven’ en de activiteiten in de buitenwereld om op die manier rust en sereniteit te kunnen ontwikkelen. Zo zouden we misschien een evenwicht kunnen bereiken tussen de activiteiten van de linker en de rechter hersenhelft om in de buitenwereld met meer inzicht en openheid te handelen.

De leringen van Heer Krishna in de Bhagavad Gîtâ helpen de mens om het gewone zelf van het echte Zelf te onderscheiden. Het gewone zelf is onderworpen aan verandering en ondergang, het echte Zelf niet.

De sadhaka moet trachten dit te vatten zodat hij zich kan vastzetten : “Sthita Prajnâ” in het Ware Zelf van zijn Ware natuur : Atman. Vanaf dit ogenblik kan hij leven in de wereld zonder erdoor overspoeld te worden.

In het gebied tussen het Echte Zelf en het gewone zelf ligt het “innerlijk instrument” of antahkarâna (Sâmkhya), dat een belangrijke rol speelt zowel in ons innerlijk als ons uiterlijk leven. Indien dit niet goed begrepen wordt : zijn de twee levensdoelen : leven in de wereld en de Zelfrealisatie beiden mislukt.

We moeten diep indalen in ons psychisch leven om ons uit de mallemolen van allemaal onbewuste emotionaliteit, zelfzuchtige bekommernissen, zelfbedrog en karma vanuit vorige levens te bevrijden om zo de kracht die hierdoor verloren gaat te besteden aan de ontplooiing van ons vermogen tot inzicht (wat wij verkeerdelijk bewustzijn noemen). Daartoe maakt de eeuwig levende psychologie van de Bhagavad Gîtâ gebruik van analyse en trainen van de psychische processen zodat de mens creatief kan omgaan met de buitenwereld en tegelijkertijd een staat van rust en sereniteit moet leren bewaren. Het is het mentale of psychische leven dat een diepgaande analyse nodig heeft, een grondig begrip en een volledige blootlegging. Het psychische of psychologische heeft een enorm bereik!!!

De buitenwereld kan alleen in toom gehouden worden als de innerlijke mogelijkheden daartoe systematisch ontgonnen en geordend zijn. Als we onze innerlijke mogelijkheden niet goed begrijpen is het ook niet mogelijk daadwerkelijk en harmonieus te functioneren in de buitenwereld omdat alle dingen al gebeurd zijn van binnen vooraleer ze in de buitenwereld uitgedrukt worden . Ook dat weten wij zelfs niet!

 De Wijze, de Voltooide mens of Ware Yogi kent het verschil tussen het ware Zelf en het gewone zelf maar hij gaat verder met zijn sâdhana opdat er geen slagbomen zouden vallen tussen hem en de wereld. Die sâdhana blijft tevens nodig om waakzaam te blijven voor het innerlijk psychisch leven dat illusies en zelfbedrog voortbrengt. Het is noch Atman noch de buitenwereld die de verwarring scheppen in ons eigen mentaal leven.Binnen- en buitenwereld zijn twee niet te scheiden aspecten van één-en-hetzelfde leven. Daarom moet de praktijk van sâdhana zo getraind worden dat ze degene die op weg is niet “ver-leidt” van de ene weg naar de andere maar wel die naar de Ware Yoga :

Yoga en Yogi : ww √ Yuj :

1.Zichzelf onder het juk brengen, overwinnen.
2.Zich verenigen met het goddelijke.
 

Sommigen die op zoek zijn denken dat zich terugtrekken uit de wereld, sanyasin worden, hen zal helpen hun levensdoel te bereiken. Anderen denken dat handelen en hun plichten vervullen het doel van hun leven zal vervullen. Het is het pad van het midden (zoals Boeddha ook ondervond) dat de brug legt tussen deze twee uitersten en dat het meeste succes zal opleveren voor iedereen.

Deze commentaar is niet geschreven voor sanyasins die zich terugtrekken van de wereld noch voor degenen die alleen maar wat rondscharrelen op de aarde, bekommerd om zelfbehoud, zonder te begrijpen dat als de wereld er is voor hen, zij er ook zijn voor de wereld. Als we een gelukkig leven willen leiden moeten we er van uitgaan dat de anderen dat ook willen. Respect voor anderen is de eerste voorwaarde om zelf geluk te vinden en een betere gemeenschap uit te bouwen.

Heer Krishna in de Bhagavad Gîtâ zegt :

 

Atman, het Ware Zelf of het centrum van bewustzijn is onveranderlijk, eeuwig en oneindig.
Het lichaam is steeds in verandering en achteruitgang, overgeleverd aan de ondergang.
Tussen Atman en het lichaam is er het mentale leven of psychisme dat in zijn totaliteit moet begrepen worden.

In westerse termen vertaald zouden we ons eerder zo uitdrukken : de mens als gewone mens kan het goddelijke principe niet aanschouwen en niet vatten omwille van zijn psychisme dat alles vervormt uit onwetendheid (avidyâ = onbewust).

De uitwendige organen zijn de zintuigen. Eigenlijk is het het inwendig orgaan of antahkarâna (Sâmkhya) dat moet begrepen worden, geanalyseerd en getraind om de mens toe te laten in de wereld te leven en te handelen, maar dan ongebonden door de wereldse banden. Dan pas kan hij de échte Werkelijkheid zien.

Daarom legt de B.G. tegelijkertijd alle vergankelijke en onvergankelijke aspecten van de yogapsychologie uit (die dus meest naar Sâmkhya en Yoga darshana van Patanjali verwijzen) om het licht van Atman (Vedânta) te laten schijnen in onze onbewuste duisternis.

Atman is geen object dat we kunnen kennen omdat Atman is en de bron is van alle kennis. Het subject-materie dat wij mensen moeten kennen is ons mentaal leven, ons psychisme en hoe we moeten functioneren in de wereld.

Al de systematische inspanningen en praktijken die in de B.G. door Krishna gedaan en uitgelegd worden zijn middelen om dat innerlijk leven, antahkarâna, te organiseren zodat het menselijk wezen een staat van rust kan bereiken en zo van nut kan zijn voor zichzelf, de anderen en de wereld.

De B.G. leidt de leerling eerst naar inzicht verwerven of gewaar worden (awareness) van het centrum van bewustzijn en dan tot de training over te gaan die tot doel heeft :

  1. Inzicht te verwerven en het in toom houden van zijn eigen innerlijke psychische ongekende lagen.
  2. Verstandig en onzelfzuchtig te handelen in de wereld.

 

De cursus fysiologie “Zenuwstelsel” illustreert ons dat de informatiestroom doorheen het zenuwstelsel in bits per seconde 1 miljard is en dat er slechts 10 miljoen doorgelaten worden.

Daarvan bereiken nog slechts 10 tot 100 bits per seconde onze gewaarwording die al dan niet tot inzicht (awareness) kunnen leiden.

Het bewust worden en kennen van Atman (Vedânta) zijn essentieel om de innerlijke toestand van het mentale leven of psychisme volledig te begrijpen. Zonder begrip van de aspecten van het innerlijk psychisch of mentaal leven is de coördinatie tussen mentaal, zintuigen, adem en lichaam onmogelijk. Dus al deze delen kunnen we dan niet in éénklank brengen. Kennis hebben van Atman is niet genoeg, de toepassing van de kennis is het allerbelangrijkste.

Het Atman of Purusha (Sâmkhya) staat alleen in voor het licht dat hij werpt op de eerste tattva van ons innerlijk psychisch wezen : Buddhi (Sâmkhya).

Buddhi betekent intellect en geeft ons drie faculteiten :

In de Westerse psychologie behoren deze drie mogelijkheden tot de aspecten van het Ego. Het Ego is ons subjectief “ik” gevoel, “het Ik”.

De Oosterse psychologie toont echter aan dat deze drie faculteiten van Buddhi verschillend zijn van het Ego. Dat wil zeggen dat deze drie niet noodzakelijk in connectie zijn met ons beperkt, subjectief “ik-gevoel”.

Dus onderscheidingskracht, oordeelskracht en beslissingskracht zijn mogelijk niet of onvolledig uitgedrukt in het meer beperkte perspectief van het Ego. We zien dus hoe gevaarlijk het is het “Ik” dat we kennen te verwarren met het “Zelf” dat we nog niet kennen maar dat we zullen moeten bereiken met de hulp van Buddhi.

Geen enkele handeling kan uitgevoerd worden zonder tussenkomst van het mentale leven of het psychisme. Alle spreken en handelen wordt geregeerd door het mentaal. Daarom is het het mentaal leven, ons psychisme, dat de meeste aandacht verdient om op de beste manier ons leven uit te bouwen.

Het mentaal trainen betekent het mentaal vrij maken van alle “complexen” die het onvrij houden. Tijdens de sadhana moeten alle drie de faculteiten van Buddhi geanalyseerd en geoefend worden om tot éénklank te komen.
Dit is belangrijk omdat een eenzijdige vooruitgang is zoals een halve waarheid en dat is helemaal géén waarheid, dus avidyâ (onwetendheid, onbewust).

 

Antahkarâna

In Antahkarâna overheerst het Sattvisch element en het is langs deze weg dat wij ons zullen kunnen bevrijden. Steeds sattvischer worden is zuiverder en zuiverder worden. Als we helemaal sattvisch zijn zijn Râjas en Tamas (R+ T) weg, dan zien we in de spiegel ons Zelf, Purusha of Atman.

Purusha en Prakriti handelen schijnbaar samen, maar in feite werken zij slechts samen naar het doel toe (Moksha). Dit samengaan is het empirisch zelf. We moeten ervoor opletten dit duidelijk te onderscheiden van het Ware of Transcendente Zelf of Purusha. Het Prakriti element dat op de meest indringende manier tussenkomt in dit samengaan is precies antahkarâna of het innerlijk orgaan.

Het inwendig orgaan dat voortgebracht is door Prakriti bevat daarom niet alleen Sattva maar ook Râjas en Tamas. Maar omdat het inwendig orgaan in zijn wezenlijke natuur sattvisch is, is het het middel bij uitstek om op de meest natuurlijke wijze de sluier te lichten.

Eigenlijk kunnen we door het werken met Antahkarâna alleen de echte werkelijkheid zien.

Als er in deze functie beperkingen optreden dan is dit te wijten aan een overheersend Râjas of Tamas die het rechtstreeks gevolg zijn van het verleden van de persoon. Zijn karma dus.

Zichzelf de juiste manier van zelfdiscipline opleggen is het beste middel om het inwendig orgaan te herstellen in zijn natuurlijke staat van zuiverheid of Sattva. Pas dan ziet de mens doorheen zijn innerlijk orgaan de wereld zoals hij werkelijk is en wat nog belangrijker is dat hij het onderscheid kan maken tussen wat van Purusha is en wat van Prakriti is.

Zo kan de mens tot inzicht komen van al de staten van transformatie waardoorheen het empirisch zelf voortschrijdt. Dit brengt hem tot kennis. Vermits Purusha niet onderhevig is aan enige transformatie moeten deze toestanden van transformatie enkel gezocht worden bij het inwendig orgaan. Van de drie factoren : Purusha, inwendig orgaan en het object van die transformaties, is het inwendig orgaan dat bemiddelend en dienend is tussengekomen als de verbindende schakel tussen Purusha en de mens als object van transformatie die uiteindelijk zullen leiden tot onderscheidingsvermogen en bevrijding.

Een goed begrepen Sâmkhya en een goed in praktijk gebrachte sattvische discipline dient ons gelijk een landkaart op onze sâdhana.

Paula De Nève ( onder inspiratie van Swâmi Râma)

We laten hieronder nog een zeer toepasselijk gedicht van Swâmi Râma volgen dat het voorafgaande uitstekend illustreert.
namelijk "Know yourself"

 

Home