Lao-tseu

Chinese klassieke script en painting door Meester Yagi-sanjin

Born in 1946 in Kagoshima, Japan. He specialized in Chinese at The Tokyo University of Foreign Studies. His pen-name is Yagi-sanjin, what means “Care-Free Goat”. Around 1968, he first met his Chinese Master, Sun-Bo-Shun and worked under his guidance. Since then, he has been trying to realize the union of calligraphy, poetry and painting.
Kagoshima City, Kamitatsuo 3-18.
E-mail: yagisan.lyo@tkz.bbiq.jp

On supreme goodness

Supreme goodness is like water,
To all that lives water is good and fights not.
It lives at places dispised by all,
Therein is the good man near to Tao.
He likes to live on earth, the low,
His heart loves the deep.
In doing good he loves love,
in speaking truth,
In governing order,
In work skillfullness,
In acting the right moment.
He fights not, no blame.


LAO-TSEU, uit TAO TÊ TJING, I ,8
Vertaling uit Nederlands:
Paula De Nève - Bout

Over het opperste goed

Het opperste goed is als water.
Water doet goed aan alle wezens en strijdt niet.
Het woont op plaatsen door alle mensen veracht.
Daarin komt de goede Tao nabij.
Hij leeft graag op lage plaatsen(1).
Zijn hart mint de diepte
In weldoen mint hij de liefde,
In spreken de waarheid,
In bestuur de orde,
In werken bekwaamheid,
In handelen het geschikte moment,
Hij strijdt niet, daardoor treft hem geen blaam.
(1) de aarde

LAO-TSEU, uit TAO TÊ TJING
Vertaald uit Chinees door: ir. J.A. BLOK
Uitg. Ankh-Hermes. Deventer 1987

OVER
TAO TÊ TJING
EN
LAO-TSEU

Enkele grote begrippen als inleiding

 

Tao Tê Tjing : Het boek van de “Weg en zijn Kracht” is een tekst van 5.000 tekens of ideogrammen en bestaat uit twee boeken : I Het eerste “het Boek van Tao” met 37 “uitspraken” in versvorm, en boek II “ het Boek van Tê” dat 44 “uitspraken” van Lao-tseu bevat.

Tao betekent weg, Tê betekent kracht of deugd. Andere centrale begrippen zijn : Woe-wei, het “onbaatzuchtige van het handelen” in de zin die we ook ontmoeten in het Indische gedachtegoed, handelen zonder de vruchten ervan te verlangen. Woe-wei betekent dan tenslotte ook “Niet-handelen”, iets wat we ook ontmoeten in de Indische gedachtegang . En Foe - “De terugkeer van alle dingen naar hun oorsprong”.

Het Tao is alomvattend en eerste en laatste principe dat al bestond alvorens “Hemel” en “Aarde” bestonden. Het is niet in woorden weer te geven, niet te benoemen, noch te beschrijven(1). Het is de Moeder van alle dingen; het laat alles ontstaan en handelt met zijn kracht Tê. Het Tê is wat de “10.000 wezens”(2) ontvangen van het Tao en hen maakt tot wat ze zijn.

Om het doel te verwezenlijken, de éénheid met het Tao te bereiken, moet de Wijze de aan alle wezens na te komen wet van het terug naar de oorsprong, Foe, in zichzelf realiseren. Dit kan hij bereiken door de leegheid, Woe, en de éénvoud, P’oe, van het Tao tot de zijne te maken en te blijven in het “Handelen zonder eigenbelang” of Niet-doen : Woe-wei.

Tenslotte wordt in de Tao Tê Tjing ook een goede “Heerser” voorgesteld waarvan de deugden en de kracht, Tê, een grote plaats innemen in het boek (3). De beste Koning of Keizer is degene waarvan het volk “niets merkt” omdat hij zo weinig mogelijk in de natuurlijke loop der dingen ingrijpt. De wetten brengt hij terug tot een minimum waardoor ook het aantal overtredingen afneemt (4). De Wijze Vorst tracht verlangens en begeerten te verminderen door de objecten van begeerte te verminderen. Dan heerst er geen verwarring in de harten van de mensen en de eenvoud, P’oe, wordt bereikt.

Er zijn meer dan 50 commentaren van de Tao Tê Tjing bewaard gebleven die het werk vanuit de meest verschillende gezichtspunten interpreteren. Ook het religieus Taoisme vereert Lao-tseu als zijn stichter en richt zijn geloof op het gewichtigste begrip Tao (5) .

Zo is ook de Tao Tê Tjing een Heilig Boek geworden en grijpen velen terug naar het “Boek van de Weg en de Kracht” als hun filosofische basis en maakten verschillende keizers zijn Leer als grondslag van hun regeren.

In zijn vergoddelijkte vorm wordt Lao-tseu, Lao-Chün, genoemd wat wil zeggen “Heer Lao” (6).

Door vele aanhangers van het Tao wordt hij als een emanatie van de Oerchaos gezien en zou zich al dikwijls in een menselijke gedaante geïncarneerd hebben om als Leraar de mensen te onderrichten (7).
Maar ook nu nog houden minder religieus gerichten het bij de “buitengewone mens” Lao-tseu.
Men zegt ook dat hij ingewijd was in de praktijken van het “Lange Leven” (8).

---------------------------

De naam Lao-tseu betekent letterlijk, het oude kind, maar al van oudsher staat tseu ook voor Wijze. En volgens zeer oude commentatoren ligt het in de bedoeling dat men dan aan de beide betekenissen denkt. Dit is typisch voor het oude Chinees.
Jezus spreekt ongeveer dezelfde taal als hij zegt : “Ge zult het Koninkrijk van God niet binnengaan als ge niet wordt als deze kinderen.”

Een andere naam voor Lao-tseu is Lao-tan, wat, oude Meester, betekent maar ook, langoor, in de betekenis van wijs. Boeddha had ook uitgerokken oren als teken van wijsheid.
Over het leven en de datering van Lao-tseu zijn er weinig zekerheden, omgekeerd evenredig met zijn historische vermaardheid.

China’s grootste historicus, Se-ma-tjièn, beschrijft rond 100 voor Christus, Lao-tseu als ouder dan K’oeng-foe-tseu (Confucius - 651-470 voor Christus) omdat tijdens een ontmoeting tussen beiden, Lao-tseu Confucius de les spelt. We moeten die oudere datering eerder als allegorisch beschouwen.

Een mogelijke datering voor Lao-tseu zou zijn van 395 tot 305 voor Christus, omdat dan een zekere Lao-tan vernoemd wordt als staatsbeambte van Tsjeoe. Over de persoon van Lao-tseu is zeer weinig bekend. Het meest betrouwbaar schijnt nog de mooie biografie van hoger genoemde Se-ma-tjièn maar die stellig ook met legendarische stof gekleurd is. Deze verhaalt :

Lao-tseu werd geboren in het dorp K’io-sjin,
de streek Laï, district K’oe
in het koninkrijk T’soe.
Zijn familienaam luidde Li,
zijn eigen-naam Erh,
zijn erenaam Pe-Yang,
zijn naam na zijn dood Tan.
Hij was archivaris aan de archieven van Tsjeoe.

Nu komt het verhaal over de bewuste ontmoeting met K’oeng-foe-tseu waarin Se-ma-tjièn wil laten uitschijnen dat Lao-tseu werkelijk de meest wijze is van de twee.

K’oeng-foe-tseu ging naar Tsjeoe,
om Lao-tseu naar de zeden te vragen.
Lao-tseu sprak tot hem :
Als de Wijze zijn tijd gekomen weet,
dan stijgt hij omhoog.
Zo zijn tijd niet vervuld is,
dan vormt hij geen wortels.
Men zegt : een verstandige koopman
verbergt zijn schatten
en doet zich voor als een arme :
de volmaakte Wijze
wil naar buiten onwetend schijnen.
“Laat af uw hoogmoed
en uw vele wensen,
alle uiterlijke schijn en
de eerzuchtige plannen.
Dit heb ik u te zeggen. Vaarwel!”

K’oeng-foe-tseu vertelde later aan zijn leerlingen :

 “Ik weet dat vogels kunnen vliegen,
dat viervoeters kunnen lopen.
De lopende vangt men in vallen,
de vliegenden schiet men met pijlen.
Maar de draak die naar de hemel stijgt,
ik weet niet hoe men die moet vatten.
Heden zag ik Lao-tseu :
hij is als de draak (9).”

Se-ma-tjièn gaat nu verder :

Lao-tseu leefde Tao en Tê (10) .
Hij hield zich verborgen
en bleef zonder naam.
Lang leefde hij in Tsjeoe;
toen hij daar het verval zag,
gaf hij zijn ambt op
en toog naar Han-koe, de grenspas.
Yin-Hi, de grenswacht,
sprak tot Lao-tseu :
“U gaat zich terugtrekken,
ik bid u een boek te schrijven.”
Lao-tseu schreef toen een boek
in twee delen van Tao en Tê,
dat ruim vijfduizend woorden had.
Daarna ging hij weg.
Niemand weet waar hij stierf.

Lao-tseu was een Wijze,
die de verborgenheid beminde.
Al die de wijsheid van Lao-tseu inzien,
versmaden de schriftgeleerden;
de schriftgeleerden versmaden Lao-tseu.
Want hoe zal samen groeien,
hetgeen in wortel verscheiden is?
Bij Lao-tseu wordt een volk
door niet-doen (11) bekeerd
en door reinheid en rust
vanzelf tot de bron (12) gebracht.

----------------------------

Wie was Li-erh?

Sommige sinologen denken dat Lao-tseu van joodse afkomst zou kunnen zijn, voortgekomen uit een groep joodse immigranten die de naam Li aannamen toen ze vanuit Perzië naar China kwamen, enkele eeuwen voor Christus. De joodse Li’s behoren tot de stam van Levi (13), een priesterlijk geslacht. Daarna vindt men de naam Li terug als een grote en belangrijke familie in China.

De man op de buffel

Men ziet Lao-tseu meestal afgebeeld op een buffel, zinnebeeld van het vreedzaam herkauwen van de werkelijkheid. Deze buffel is het archetype van het Chinese onderbewuste, terwijl de draak het oersymbool van het Chinese bovenbewuste is.
Het is gebruikelijk de Chinese cultuur als statisch te beschouwen, hoewel zij ook dynamische aspecten vertoont. Hiermee schijnt de symboliek van de buffel in overeenstemming. China herkauwt zijn traditie maar verwerkt ze telkens opnieuw, daarom zit Lao-tseu te buffel. De Chinese beschaving maakt een duidelijke ontwikkeling door die echter steeds het vorige weer meeneemt.
In de Indo-Europese cultuur zit de edele mens te paard, voor Plato is de Wijze degene die de paarden van de hartstocht beheerst. Dit is ook zo in het Hindoeisme.

Over Tao

Van alle symbolen die de Chinese beschaving heeft voortgebracht is Tao het diepste en het wijdste. Dit wil niet zeggen dat het ook het oudste symbool is want iedere cultuur komt tot de spirituele oorsprong der dingen via de verschijnselen van de natuur (14) . Achteraf kan men zeggen dat het Tao er eigenlijk altijd geweest is, onuitgesproken en als diepste essentie.

Lao-tseu legt uit als volgt:

Toen Yin (15) volmaakt heerste was alles koud en strak.
Toen Yang (16) volmaakt heerste was alles warm en beweeglijk.
Koude en starheid kwamen voort uit de Hemel,
warmte en beweging kwamen voort uit de Aarde.
Toen Yang en Yin zich verenigden ontstond harmonie
en werden de dingen tot leven gewekt.
Eén is er, die dit alles regelt en beheerst
maar niemand heeft hem ooit gezien.
Verval en groei, volheid en leegte, duisternis en licht,
veranderingen van zon en maan,
worden dagelijks voortgebracht
maar niemand ziet waaruit ze ontstaan.
Het leven heeft zijn bron waaruit het ontspringt,
het sterven heeft zijn plaats waar het heengaat.
Begin en einde duren voort zonder aanvang en einde,
wie dit niet zo ziet, moet de oorzaak en
de regel van deze verschijnselen verklaren.

Lao-tseu sprak verder:

 “Het begrijpen zelf is het wonderlijk verheugende.
De geest daarvoor openstellen schept de Verlichte Mens.”

Lao-tseu’s symbool, de draak, werd het symbool van China, het Hemelse Rijk. Zijn vermaning tot Woe-Wei (Niet-Doen) stond nog in 1912 boven de drakentroon van de keizer gepenseeld. De grote Han-, Tang- en Ming-keizers lazen dagelijks in Lao-tseu’s Tao-Tê-Tjing, en zelfs Mao-Tseu-Toeng begon als volgeling van Lao-tseu.

Een van de diepzinnigste kenners (17) van het oude China heeft geprobeerd het begrip Tao op verschillende wijzen te benaderen en kwam tot volgende definitie:

Het is een énig principe dat regeert boven de wereld en zich realiseert in de wereld. Het is tegelijk transcendent en immanent. Het is tegelijkertijd hetgeen wat noch vorm, noch klank, noch kleur heeft, hetgeen dat voor alle dingen bestaat (18). Het is onnoembaar en transcendent aan alles wat verschijnt in de Wereld. Het schikt deze in een orde volgens type en drukt dit op hen als de weerkaatsing van de Opperste Rede. In lichtende bliksemflitsen verraadt Tao zich aan de Wijze.
Maar wij hebben enkel een vaag vermoeden van zijn majestueuze werkelijkheid. Op die hoogte aanbidt de geest en zwijgt, voelende dat woorden niet bij machte zijn die Eénheid uit te drukken, die het heelal en méér dan het heelal in zich omvat. Daarom zullen we het Tao, de Weg noemen.

Deze Weg is het leven van het eeuwige worden, tegelijkertijd relatief, omdat het onbestendig is, en toch absoluut omdat het eeuwig is. De Weg, dit woord sluit ook de gedachte in van een zekere richting, van een proces waarvan alle stappen zich volgens een bepaalde orde opvolgen. Het universele worden zijn dus geen zinloze veranderingen, het zijn realisaties van een wet van harmonie.

Weer anderen vertalen het door Woord, Weg, Zien of Leegte. Tao betekent in het oud-Chinees als naamwoord, weg, en als werkwoord, spreken. In het ideogram vindt men deze beide aspecten terug: gaan, voor weg en hoofd, voor spreken. Er moet dus een logisch verband bestaan tussen het naamwoord Tao en het werkwoord Tao.

Nog anderen zoeken aansluiting bij de etymologie van het woord zin, zelf, dat oorspronkelijk ook weg en richting aanduidde en dat zelfs nog voortleeft in onze taal als zenden, zending, zendeling.

Nog anderen zien het begrip Tao aldus: het Tao van de hemel, als, de Weg van de hemel. Het Tao van de aarde, als, de Weg van de aarde. Zoals Loe-tjia zegt dat de Wijzen de krachtlijnen van hemel en aarde bestuderen dan kan dit immers wel betekenen dat zij de Weg van hemel en aarde gadeslaan. Deze zienswijze wordt soms daarom ook wel eens vergeleken met een soort elektrische stroom die een krachtenveld schept.

Slotsom : Gezien de grote moeilijkheid hebben andere sinologen Tao maar liefst onvertaald gelaten.

Het is beter dat we Lao-tseu nu zelf aan het woord laten:

 I,1 Over het eeuwige Tao…

Het Tao, dat geuit kan worden,
is niet het eeuwige Tao.
De naam, die genoemd kan worden,
is niet de Eeuwige Naam.
Zonder naam is het de oorsprong van hemel en aarde(19)
Met een naam is het de moeder van alle dingen (20)
Daarom: wie steeds zonder begeerte is,
ziet zijn zuiver geestelijk aspect,
wie nog begeerten heeft
ziet alleen zijn uiterlijke verschijningsvorm.
Beiden (21) zijn in oorsprong gelijk,
maar hebben verschillende namen.
Die gelijkheid (22) heet diep, de diepte der diepten;
het is de poort van al het geestelijke.

Lao-tseu voegt daar nog bij dat zijn Tao ook staat buiten de paren der tegenstellingen:

I, 2 Over de paren van tegenstelling

 Erkennen allen onder de hemel (23)
de schoonheid van het schone,
dan ook het lelijke.
Erkennen allen de goedheid van het goede,
dan ook het niet-goede.
Want ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ baren elkander (24) .
Moeilijk en licht vervolmaken elkander.
Lang en kort bepalen elkander.
Hoog en laag komen uit elkander voort.
De toon en de stem sluiten aan bij elkaar.
Voor en na volgen elkander.
Daarom maakt de Wijze (25) werk van het niet-doen (26)
En predikt de Leer zonder woorden.
De tienduizend wezens (27) komen op en hij weigert niet.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op,
Verwerft verdienste en hecht er niet aan (28).
Juist omdat hij er niet aan hecht,
Wordt zij hem nimmer ontzegd.

Tjwang-tseu, de belangrijkste commentator van de Tao-Tê-Tjing wordt niet moe te herhalen dat Tao aan alle tegenstellingen voorafgaat. Het is de toestand van het oerbegin en van het einde. Duidelijk blijkt deze oorsprong ook uit het II, 42

II,42 Over de oorsprong van de tienduizend dingen

Tao baart één.
Eén baart twee (29)
Twee baart drie :
Drie baart de tienduizenden dingen (30).
De tienduizend dingen dragen
het duister beginsel langs de buitenkant
en het lichtbeginsel binnenin.
Door subtiele adem (31) komt éénklank.
Wat de mensen haten zijn wezen,
geringen, waardelozen te zijn.
Daarom noemen koningen en vorsten zichzelf zo.
Maar de ene vermindert en vermeerdert toch.
De andere vermeerdert en vermindert toch ook.(32)
Wat de mensen zo te weten komen is ook mijn lering :
De sterken en geweldigen
sterven geen natuurlijke dood.
Ik zal ze tot stof (33) nemen voor mijn leer.

Tao is het homogene positieve begin waaruit alles ontstaan is. Het is de potentie en essentie van de ganse kosmos. Interessant is de ontwikkeling van het Tao begrip in de Tibetaanse filosofie waar het o.a. door Padmasambhava wordt omschreven als leegte. (I, 4)

De Tibetaanse Meesters wijzen er voortdurend op, dat Tao een innerlijke toestand is, evenals Nirvana en Samadhi. De Wijze, de Voltooide Mens, verwerft dus een innerlijke vrede die identiek is met het Tao van het oerbegin: ‘Het Tao van de hemel en het Tao van de mens zijn in wezen één.’

Lao-tseu zelf vergelijkt deze toestand graag met water. Water is nl. een mooi symbool voor de mystieke deemoed. Het zoekt de laagste plaatsen op, komt op de plaatsen die de mensen verachten en neemt alle vormen aan en weerspiegelt de hemel. (zie aanvang Lao-tseu I, 8 Het oud chinees script door Meester Yoshikawa en zie vertaling.

En in II, 78 zegt Lao-tseu als volgt:

II,78 Over het aanvaarden van het lijden

Niets in de wereld is zachter
en zwakker dan het water.
Maar niets overtreft het
in het breken van wat hard en sterk is.
Niets dat water daarin evenaart.
Zwak overwint sterk.
Zacht overwint hard.
Niemand onder de hemel,
die dit niet weet.
Maar niemand kan het in toepassing brengen.
Daarom zegt de Wijze :
“De schande van het Rijk te dragen,
dat heet het koningsoffer leiden.
De rampen van het Rijk dragen,
dat heet koning te zijn”.
Ware woorden, die tegenstrijdig lijken.

Een westers equivalent voor Tao hebben we nog niet gevonden. Het echte Tao is niet te uiten, het is on-uit-puttelijk. Lao-tseu gebruikt het beeld van de blaasbalg om deze on-uit-puttelijkheid weer te geven:

Hoe gelijkt alles tussen hemel en aarde op een blaasbalg!
Het is leeg en toch onuitputtelijk;
beweegt het zich, dan ledigt het zich des te meer.
Veel spreken put uit.
Het is beter alles in te houden.

Het allerbeste is Tao onvertaald te laten.

Woe-Wei

Drie begrippen, die een centrale plaats in de Tao-Tê-Tjing innemen zijn Tao, Tê en Woe-Wei, dat letterlijk ‘Niet-Doen’ betekent. In China is Woe-Wei een begrip dat men overal tegenkomt. Hoewel aanvankelijk voortgekomen uit de sfeer van het Taoisme vond het ook een plaats in het Confuciaans gedachtegoed. Een andere grote Wijze, Mêng-tseu werd er sterk door beïnvloed en geeft als voorbeeld dat het water van nature naar beneden en niet naar boven vloeit. Woe-Wei is als zodanig de verbindende schakel tussen Hindoeïsme, Boeddhisme en Taoïsme. We vinden immers de gedachte aan Niet-Doen terug in het Hindoeïsme.

Op Chinese gravures worden ook vaak Lao-tseu, K’oeng-foe-tseu en Boeddha in vreedzaam eensgezind gesprek gewikkeld. Het is de geest van het Woe-Wei dat hen hier verbindt. Daarom zegt een bekend Chinees spreekwoord : ‘Deze drie wereldbeschouwingen zijn één.’

Nergens vinden we echter zo’n subtiele analyse van het begrip Woe-Wei als in China zelf.

Alle grote keizers hebben getracht hun volk met Woe-Wei te regeren. Daarom is het altaar des Hemels in het paleis een belangrijk symbool voor de regering. Van daaruit moest de keizer trachten in harmonie met de Hemel te geraken. Hij moest bij zichzelf nagaan of hij niet door verkeerde daden rampen over het volk gebracht had.

Daarom, wie Tao betracht en er zijn hele ziel naar opheft zal er vanzelf komen.Zo eindigen wij waar begonnen zijn. Uit Tao en tot Tao zijn alle dingen. Want Lao-tseu heeft ons geleerd dat we steeds tot de bron moeten terugkeren. Tot alle mensen en tot alle tijden heeft hij gesproken.

 -------------------------------------
Werkstuk samengesteld en uitgewerkt door Paula De Nève-Bout.

1. Cf Neti-neti
2. Vaste uitdrukking voor al het geschapene
3. Cf. Wetten van Manoe, over hoe de koning moet zijn tegenover het volk
4. Tegengesteld aan de inzichten van de andere grote Chinese Wijze K’oeng-foe-tsue (Confucius)
5. Want net zoals Boeddha werd Lao-tseu in de loop der eeuwen van een buitengewoon mens tot transcendent
6. Cf. Heer Krishna
7. Cf. Heer Krishna
8. Cf. Âyurveda betekent ook kennis van het lange leven
9. Draak staat als symbool voor Lao-tseu als belichaming van het Yin-Yang principe
10. Tê : deugd en kracht
11. Niet-doen : Woe-wei
12. Bron : Tao
13. Levi : zie Bijbel
14. Cf. Hindoeisme
15. Yin, passief vrouwelijk principe
16. Yang, actief mannelijk principe
17. Geen informatie van de bron
18. Refereert naar de 10.000 wezens die staan voor al het geschapene
19. Hemel en Aarde zijn ook zinnebeelden voor de beide oerprincipes van de geschapen wereld, Yin en Yang
20. Het noembare Tao (vgl Prakriti) als voortbrenger van al het geschapene heeft als substraat het Onnoembare Tao (cf Neti-Neti).
21. Het noembare en het onnoembare Tao.
22. Identiteit van het Onnoembare, het Absolute, met het manifeste Tao, is het uiterste waartoe de menselijke geest kan reiken.
23. ‘Onder de hemel’ is een vaste uitdrukking voor ‘de wereld’.
24. Elk begrip brengt zijn tegengestelde met zich mee.
25. Het ideaal van de spirituele mens, de ’échte’ , de Wijze. Meestal wordt de Wijze gezien als Koning.
26. Niet-doen in de zin van Tao maar niet in de zin van het eigen ‘ik’.
27. Vaste uitdrukking voor al het geschapene.
28. Dit is het ware Niet-doen, Woe-Wei.
29. De dualiteit = Yin en Yang = Hemel en Aarde.
30. Al het gemanifesteerde en de scheppende energie Tji, het grote scheppende heelalritme.
31. Tji is Prâna. Dankzij Tji, subtiele adem, cf. meditatie en éénklank.
32. Door de onbestendigheid in het leven in de gemanifesteerde wereld.
33. Substraat, grondslag.

 

Home