Deze cursus werd samengesteld en gegeven door mevrouw De Neve-Bout Paula, hoofd van het Vormingsinstituut voor Yogadocenten te Zolder tijdens het schooljaar 2005-2006.

Inleidend woord tot Mândûkya Upanishad

Kort overzicht Indische wijsheidsleren en plaats Upanishad :

We hebben uiteengezet dat :

Verscheidenheid Dualiteit Monisme
Natuur Twee eeuwige principes Advaita Vedânta

Manifesteert
De Wereld

Bewustzijn Purusha/shiva
Mandukya
  Natuur Prakriti/Shakti Alles komt voort uit alleen Bewustzijn
De wijsheidsleren bevragen zich over de wereld, en de plaats van de mens
Ritueel
 

Natuur herleidt tot leven, levensprocessen

 

 

Structuur Mândûkya Upanishad

De Vedische aanroeping in oud Vedisch-Sanskriet, niet meer gesproken in de tijd van de op schriftstelling geeft aan dat de Upanishad tot de Veda behoort ‘in dit geval de Atharva Veda’. Dit duidt symbolisch aan dat de Upanishad als een klimplant aanleunt bij de boom die de Veda is, maar dat ze toch beiden een afzonderlijke plant zijn met een afzonderlijke wortel. Zij behouden dus elk hun eigenheid.

Voorbeeld : Shruti 1

Vers één legt op heel moeilijke, samengebalde wijze uit wat de Mândûkya wil gaan bewijzen :

"Harih AUM! Het woord AUM omvat "alles", -een duidelijke uitleg volgt- al wat verleden is, heden, en toekomst is waarlijk AUM.
Maar ook wat boven het drievoudige tijdsbegrip uitgaat is AUM."

De verdere Shruti’s leggen dan alles ‘duidelijk’ uit zodat we te weten komen dat :

Alles komt uit het Hoogste Bewustzijn.
Verscheidenheid ontstaat in de gedachten en is dus niet werkelijk.
Natuur is herleid tot leven en levensprocessen.

Mândûkya Upanishad

AUM

 

Inleiding


De Traditie zegt dat deze upanishad gehoord werd vanuit de Transcendentie door de Oude Rishi Mândûka. Zij is de zesde upanishad aanleunend bij de Atharva-Vêda. Zij behoort dus zeker tot de 'shruti', datgene wat gehoord is geweest rechtstreeks uit de Transcendentie. De 'shruti' staat tegenover de 'smriti', datgene wat overgeleverd is vanuit een traditie van mondeling onderricht van meester tot leerling, van generatie tot generatie : De Overlevering.

Het belang van deze kleine upanishad werd reeds vermeld in een latere upanishad die hierover zegt : "De Mândûkya upanishad is het enige middel waardoor uiteindelijke bevrijding of moksha kan bereikt worden. Deze upanishad volstaat voor allen die naar bevrijding streven."

Ze schenkt ons inderdaad het meest praktische, kortste en helderste inzicht in de natuur van mens en Âtman in hun betrekking tot het Brahman, de Absolute Werkelijkheid of het Allerhoogste Bewustzijn. Deze upanishad legt de drie toestanden van bewustzijn van de mens uit plus 'Turîya', "de vierde", diegene van het éne Âtman. Dat Âtman is ook aanwezig in alle drie de voorgaande toestanden. Dit alles wordt uitgelegd...

De Ware Yogi, de Voltooide Mens, zal er voor zichzelf in slagen door veel oefening en een lang, lang aangehouden praktijk als hij de volmaakte samâdhi bereikt heeft, deze vierde toestand te realiseren, ttz. dat dit ene Âtman zijn eigen Hoogste Zelf is, voor altijd volmaakt, onveranderlijk en eeuwig.

Twee bijzonder grote commentatoren hebben de Mândûkya upanishad belicht, Shankara en Gaudapâda. De commentaar die hier gebruikt werd heeft getracht in relatief eenvoudige bewoordingen de visie van Shankara weer te geven (1).

 

Mândûkya Upanishad

VEDISCHE AANROEPING

Mogen onze oren, O, Deva's enkel goeds voorspellende
klanken horen, onze ogen enkel goeds voorspellende
zaken zien. Mogen wij door U bemind, de ons toegemeten
jaren in vreugde doorbrengen in een gezond lichaam met
gezonde ledematen, vervuld van lofprijzingen voor de
Allerhoogste. Aum Shântih !(2) Shântih ! ! Shântih(i) ! ! !

Shruti 1

HARIH AUM : Het woord Aum is “dit alles” : Al wat is in het verleden, het heden en de toekomst is Aum. Aum staat nochtans aan de andere kant van het tijdsbegrip.

Alles in de wereld van de Tijd verandert. Het enige principe dat nooit verandert, maar de ervaring ondergaat en doorheen de ervaring van de wereld alle verandering transformeert : dat is de Absolute Werkelijkheid waarvan de Realisatie alle vragen beantwoordt. Dit principe is AUM.

“HARIH (3) AUM” = AUM = HARI = VISHNU (4) HET ZUIVER BEWUSTZIJN, de ABSOLUTE KENNIS.

Hij is de enige en ENE KENNER. Hij is de ONVERANDERLIJKE Eénheid die het draagvlak is van al wat HIJ weet : “dit alles”, de veranderende wereld van verscheidenheid, zodat dit ook bevat is in AUM.

Aldus is AUM de Kenner en het Gekende. Want de Kenner kent alleen ZIJN gedachte die voortvloeien uit en van dezelfde substantie zijn als Hij.

De verscheidenheid is daarom, alhoewel bevat in AUM, n i e t echt . Maar in de gedachten en alleen bestaand in het BEWUSTZIJN. Om dit niet-werkelijke van de verscheidenheid te bevestigen laat de Shruti “al wat verleden, heden en toekomst is” omvat worden in AUM, zodat AUM de verscheidenheid verandert in niets meer dan ervaring, nietsmeer dan een gedachte in degene die ze ervaart. (In Hari, in Atman en in het Zelf). Want de tijd bestaat alleen in de ervaring.

Dus de Shruti wil duidelijk zeggen dat de ervaarder Âtman alléén Werkelijk is, dat HIJ alleen bestaat

ofwel als de veranderende verschijnselen of gedachten, “dit alles”

ofwel als het onveranderlijk substraat, het ZELF dat de Tijd transcendeert.

Vandaar dat wat ook en waar ook gezien wordt, uitwendig of inwendig, hetzij in de wereld van de zintuigen, hetzij in de wereld van het zuivere denken, het ENE ZELF de echte Mens is, zoals hij in Zichzelf alléén wordt gezien en niets anders.

Het unieke van de Mândûkya bestaat in het bewijzen van het bestaan van het Zelf in alle toestanden en voorwaarden van degene die ervaart : Vishva - A , Taijasa - U en Prâjna - M door elke letter van AUM te plaatsen voor het Zelf. In alle drie de toestanden van Bewustzijn als de Waker, de Dromer, de Slaper.

De ervaarder van de Vierde toestand is voorgesteld door de drie letters samen te voegen als AUM : het Zelf in Turîya omvat alle ervaringen van alle drie de toestanden zoals AUM alledrie de letters in zich bevat.

In de waaktoestand in Jâgrat, als de zintuigen volledig wakker zijn en Jagat,de wereld waarnemen die de Jîva (Âtman in een levend wezen) denkt echt te zijn, dan neemt deze Jîva de naam aan Vaishvânara (5) of Vishva (6) , voorgesteld door de letter A.

Als Vishva zijn zintuigen naar binnen trekt en begint te dromen neemt hij de naam Taijasa aan, overeenkomend met de letter U. Als Vishva de droomtoestand (Svapna) verlaat en in de afgeslotenheid (Kaivalya) van zijn eigen Zelf vertoeft, dan is hij in diepe slaaptoestand (Sushupta) en hij neemt de naam Prâjna voorgesteld door de letter M aan.

Wanneer hij in Jâgrat tot volle rijpheid gekomen is realiseert hij zichzelf als het ABSOLUTE ÂTMAN. En zijn naam wordt Turîya.

Turîya is leeg aan alle ervaringen maar hij omvat ze allemaal zoals het woord AUM al zijn letters omvat.

Dus AUM is het wezen van het Zelf dat al de ervaringen van alle bewustzijnstoestanden ondergaan heeft : diegenen die in de drievoudige tijd liggen : Jâgrat, Svapna en diegenen die buiten de Tijd liggen in Sushupti en Turîya.

HARIH AUM waarmee de Shruti begint vat van in het begin alles samen, niet alleen de Shruti, maar de hele Mândûkya. HARI, hoogste BRAHMAN, wiens natuur is zuiver CIT, ANANDA = AUM = “dit alles” en maakt zo dat alles uit Zuiver Bewustzijn voortgekomen is.

Shruti 2

“Dit alles” is werkelijk Brahman : dit Âtman zelf is Brahman : het heeft vier pâda’s.

Commentaar : Brahman is het Allerhoogste Bewustzijn, de absolute Kennis. Dus “dit alles” is Âtman = Brahman = ‘Aum’ zijn één en dezelfde werkelijkheid.

De letterlijke betekenis van pâda is voet maar Shankara vertaalt het door kwart. Hoe dan ook de twee vertalingen dienen beiden de doelstelling van deze shruti die het opzet heeft het aantal van de vier verschillende bewustzijnstoestanden vast te leggen waar de echte, de Werkelijke mens, de Ware yogi verplicht is doorheen te gaan. Maar Shankara’s interpretatie houdt in dat de vervolmaking van het subject alleen kan bereikt worden als alle vier de toestanden ervaren worden. Want anders zou de ‘unit’ onvolledig blijven als al de kwarten niet in deze ‘unit’ geïntegreerd zouden zijn. De vertaling door kwarten schijnt het insluiten van Turîya in het aantal toestanden van bewustzijn onvermijdelijk te vinden om de toestand van bevrijding, moksha te bereiken.

Want de hele mensheid gaat dagelijks door de drie eerste toestanden maar niemand kan Turîya ervaren tenzij die Werkelijke mens, die Ware yogi dank zij intense zuiveringen, voorbereidingen en spirituele praktijken.

Het staat ook duidelijk vast dat er volgens de Mândûkya voor de mens buiten deze vier toestanden geen enkele andere toestand of wereld bestaat, noch voor, noch na de dood : noch hemel noch hel, noch enig ander gekende of ongekende toestand van bewustzijn. Als er zoiets al zou bestaan zou het als een soort van droom zijn.

Want de zintuigen brengen de objectieve waarneming voort. Dit wil zeggen de Wereld kan alleen functioneren in een fysiek lichaam dat de noodzakelijke instrumenten bezit waardoor de zintuigen zichzelf kunnen manifesteren : de zintuiglijke organen. En een fysiek lichaam is alleen te bekomen op deze aarde en in waaktoestand.

Symbool A U M

1. waaktoestand

2. droomtoestand

3. diepe slaaptoestand

4. vierde (turîya)

 

Overzicht over de vier pâda’s of kwarten :

A 1.
Visjva
Waker
in
Jâgrat
Wereld
in waaktoestand met
Jâgrat âtman
U 2.
Taijasa
Dromer
in
Svapna
Droom
in droomtoestand met
Svapna âtman
M 3.
Prâjna
Slaper
in
Susjupta
Slaap
in diepe slaap met
Susjupta âtman
  4.
Turîya
AUM
de
Vierde
in meditatie
Samâdhi âtman
ZELF
 



A U M is Zelf of Âtman

= Z e l f r e a l i s a t i e

De ware yogi

De voltooide mens

Shruti 3

“Het eerste kwart heet Vaishvânara (5) of Vishva, (6) de Waker en zijn veld is jâgrat, het waakbewustzijn. Hij ervaart grofstoffelijke objecten in de buitenwereld en heeft zeven ledematen en negentien monden.” (7)

Commentaar : Vishva is het eerste kwart van AUM, alhoewel Atman of het Zelf onverdeelbaar en één is. Shankara gebruikt kwarten om een onderliggende gedachte duidelijker te maken.

De kwarten zijn conventionele namen die gegeven worden aan éénzelfde

wezen als het doorheen de drie eerste toestanden van bewustzijn gaat.

Deze kwarten vinden we symbolisch weergegeven in het teken AUM.

Vaishvânara of Vishva staat eerst in de opsomming omdat hij een fysiek lichaam heeft, in de wereld staat waarin hij de waaktoestand kan ervaren, waarin hij ‘alwetend’ is. Aldus reikt hij de elementen aan voor de tweede pâda of droomtoestand. Hij weet vanuit zijn ervaring wat dromen zijn, wat een diepe slaap is, en dat er zoiets als samâdhi of Turîya bestaat, hoewel hij waarschijnlijk de echte natuur van Turîya niet kent. In Taijasa of Prâjna kent Vishva Jâgrat niet terwijl hij in Jâgrat beide vorige wel kent. Vandaar dat ‘alwetend’ zijn van Vishva.

Want in Jâgrat en in waaktoestand zijn alle mogelijkheden(zintuigen) wakker en actief. Terwijl deze in de droomtoestand slechts een schaduw zijn van wat ze in waaktoestand zijn. Vishva is bewust van de buitenwereld in Jâgrat. Dit is te wijten aan de aanwezigheid van de zintuigen die als het ware al de aandacht trekken naar de buitenwereld. Maar vanuit de Absolute Werkelijkheid bekeken is deze buitenwereld slechts een product van het ‘gedachte’, hier dus van Vishva’s eigen gedachten.

Objecten, ruimte, tijd, beweging, gedachten, herinneringen, zijn verschijnselen die door de zintuigen gevoed worden. Het geheugen is in dit proces het verschrikkelijkst omdat het in zijn bewustzijn de ervaringen vereeuwigt en altijd maar opnieuw aandraagt. Dit geeft Vishva een vals gevoel van identiteit en continuïteit, het gevoel van een ‘IK’ en een ‘mijn’ levensgeschiedenis, ‘mijn’ relaties, ‘mijn’ herinneringen. In deze wereldheersen oorzaak en gevolg.

Maar Jâgrat heeft ook zijn verdiensten omdat hij Vishva doorheen een lange geschiedenis van pijnlijke ervaringen en betoveringen voert die hem uiteindelijk de ketenen van slavernij aan deze wereld en zijn verschijnselen

doen doorbreken : om vrij te worden en om zich zelf als Zelf te herkennen in zijn ware natuur. Dit zou in geen enkele andere toestand mogelijk zijn. Het is alleen in een fysiek lichaam dat Vishva iets kan opvangen, denken, nadenken, er zich voor inzetten en zijn beloning ontvangen in Turîya, de Vierde gelukzalige toestand van bevrijding of Moksha.

De zeven ledematen en negentien monden zijn Vishva's ken- en- doe instrumenten, de jnânendriya's en de karmendriya's die in het lichaam aanwezig zijn als motorisch en sensorisch zenuwstelsel en van waaruit de zintuigen hun kracht te voorschijn halen. Uiteindelijk zal Vishva de wil opbrengen om deze ketenen van pijn en betovering te doorbreken : alleen dit kan hem op het pad van de Sâdhaka brengen.

Shruti 4

“Taijasa is het tweede kwart en zijn veld is de droom of Svapna. Hij is dan bewust van innerlijke objecten. Hij heeft zeven ledematen en negentien monden en ervaart fijnstoffelijke objecten.”

Commentaar : Vishva neemt nu de naam Taijasa aan wanneer hij overgaat in Svapna of droomtoestand, nadat hij eerst Vishva geweest is in waaktoestand. Deze droomtoestand helpt Vishva om de onwerkelijke natuur van zijn wereld in waaktoestand beter te begrijpen naar analogie met de droom .

Inderdaad, in droomtoestand ziet hij een vergelijkbare wereld voorbijtrekken aan zijn nu fijnstoffelijke zintuigen met fijnstoffelijke objecten . Vishva Inderdaad, in droomtoestand ziet hij een vergelijkbare wereld voorbijtrekken aan droomt en weet bij zijn ontwaken dat “het geen werkelijkheid is ”. Hetzelfde werd gezegd over de waaktoestand die een produkt is van ‘het gedachte’ zoals we zagen, in het Jâgrat bewustzijn van Vishva. Alle objecten, bewegingen, gedachten en handelingen van de waaktoestand hebben dus geen werkelijke basis van bestaan behalve in het ‘gedachte’ .

Shruti 3 spreekt over Vishva die in de buitenwereld grofstoffelijke objecten waarneemt, en shruti 4 over Taijasa die in de innerlijke wereld innerlijke fijnstoffelijke objecten waarneemt. Want in de droom neemt Vishva ook “buitenwereld” waar, het lijkt hem “in de ruimte” zelfs, met voor hem “uiterlijke objecten”, vergelijkbaar met wat hij ziet in Jâgrat .

Het is pas als hij uit de droom komt dat hij bewust wordt, dat wat hij voor buitenwereld genomen had in de binnenwereld zit. In Jâgrat stelt hij zich eveneens voor dat hij objecten in de buitenwereld ziet maar er is nu al een bewijs dat ze in zijn binnenwereld moeten zitten . Eens hij de overstap zal kunnen maken vanuit Jâgrat in Turîya zal alles duidelijk worden.

De fijnstoffelijke objecten die Taijasa beleeft zijn indrukken die hij via Vishva heeft meegebracht uit Jâgrat. Zo dromen we bv over school, examens afleggen.Vol angst schieten we “wakker” : het is maar een droom!

Maar de Jivanmukta (8) die in een permanente toestand van Turîya is, ervaart vage, vormloze dromen omdat zijn Jâgrat-indrukken te zwak zijn om heldere dromen te hebben. Zijn Vishva-bewustzijn is zo dun geworden dat objecten in Jâgrat nog nauwelijks een indruk achterlaten om op te projecteren in de droomstaat.

Shruti 5

“Sushupti of Droomloze slaap is de toestand waarin er bij de slaper, Prâjna, geen behoefte meer overblijft om objecten te zien. Prâjna is het derde kwart en zijn veld is diepe slaap waarin alles één geworden is, ongedifferencieerd - Prâjna is één massa van bewustzijn en ervaart gelukzaligheid. Daarom is Prâjna de “Poort naar Kennis.”

Commentaar : Sushupti is één van de méést leerrijke van de drie toestanden waarin het bewustzijn van de gewone mens zich kan bevinden.

Hij is degene die het inzicht bijbrengt dat we van hieruit kunnen afleiden :

Bindingen d.w.z. niet vrij zijn, komen voort uit het waarnemen en het willen hebben van aantrekkelijke objecten . In droomloze slaap is Prâjna vrij van lichaam en waarneming, dus het gebonden zijn aan zowel de verlokking als de ellende. Hij is dan in de rust van ‘Kaivalya’ of ‘het alléén-zijn’ van het Zuivere Zijn. Wat we hieruit moeten afleiden is dat het lichaam niet de mens is en ook niet noodzakelijk voor zijn verder bestaan. Als dat het geval is, verliest de dood en de angst voor totale vernietiging zijn slagkracht.

In Sushupti, diepe slaap draagt het subject de naam Prâjna = M. Al zijn ervaringen , zowel uitwendig als inwendig, al zijn bezittingen als Vishva en Taijasa : lichaam, naam, familie, relaties, faam, positie, fortuin, tegenslag, gezondheid, ziekte, …oorzaak en gevolg … zijn in diepe slaap als Prâjna , een éénvormige, ongedifferentieerde massa geworden. Meervoudigheid is éénheid geworden .

Prâjna is noch man, noch vrouw, noch kind, mens of geen mens. Koning of bedelaar, moordenaar of heilige, zelfs een onooglijke worm of muis vanuithet Jâgrat bewustzijn ,zijn nu één wezen, één massa van bewustzijn en tevreden rust geworden (Sat, Cit, Ananda). “ De Poort” .

Prâjna is de ‘Poort tot Kennis’ omdat hij zowel de bron is als de kruik . Degene die zowel de twee andere toestanden van objectieve waarneming bevat als de mogelijkheid om het Zelf te kennen in de toestand van Tûriya. Maar Prâjna, de ‘slaper’, heeft geen gewaar zijn van zijn eigen bestaan, zijn eigen gelukzaligheid. Vandaar dat het ervaren van gelukzaligheid enkel wil zeggen dat hij inderdaad in gelukzaligheid vertoeft maar dat hij er op dit moment

geen gewaar zijn van heeft; bij zijn terugkeer in Jâgrat als zijn geheugen en verstand ontwaken heeft hij de herinnering aan een “ verfrissende, gezonde slaap ”. Dit is een goed teken.

Maar het is alleen in Turîya dat hij ten volle bewust word t, én van gelukzaligheid én van het Zelf of Atman . Het woord “Slaper” wil ook niet zeggen dat Prâjna echt slaapt, want het Zelf verandert niet noch waakt noch slaapt. Alleen in Jâgrat slaapt hij, zowel als Vishva en als Taijasa.

Shruti 6

“Dit is de “Heer”(Vishva) van dit alles, de kenner van alles, de inwendige controle, de bron van waaruit alle dingen voortkomen en waarin zij tenslotte terug zullen oplossen.”

Commentaar : Deze shruti gaat nog verder in op de vorige en drukt de eeuwige waarheid uit dat de mens van natuur zuiver geest is, zuivere kennis en gelukzaligheid, voor altijd vrij van lichaam, gedachten … maar dat precies lichaam en gedachten in Jâgrat zijn aandacht afleiden van de één-aardigheid van zijn ‘Zelf’ naar een vals (9) gevoel van verscheidenheid, dat hem verleidt tot willen hebben, tot willen handelen en de gevolgen ervan die hij zal moeten uitboeten.

“Dit is de Heer van alles omdat hij als Vishva middels de zintuigen projecteert en een ingebeelde, valse wereld schept voor zichzelf. Zo wordt hij, zonder het te weten, “ alles”. Van alles wat hij kent, waarvan hij geniet, wordt hij de ‘Heer’. Omdat hij de bron is van de zintuigen die hij kan projecteren of terugtrekken op eigen initiatief, wordt in de shruti uitgedrukt dat ‘hij’ de innerlijke controle is en het uiteindelijke receptakel wanneer “ dit alles” terug bij hem binnenslipt. En dat hij weer de” innerlijke controle” is wanneer hij doet als het leven (10) , als hij de functie controleert van elk orgaan in het lichaam, het lichaam doet bewegen, denken , en spreken, als ware het hemzelf.

“Hij”, het Onveranderlijke Brahman !!!

Shruti 7

Turîya is

Turîya is niet te ontwaren, zonder relatie, onbegrijpelijk, onafleidbaar, niet voor te stellen, niet te beschrijven, ontdaan van verschijnselen. Hij is van de natuur van het Bewustzijn- in- essentie en vormt alléén het Zelf, niets dan

vrede en niet-twee. Dat is wat men Turîya noemt, het Zelf dat moet gerealiseerd worden.”

Opmerking : De vaste toeschrijvingen of epitheta zoals “niet gezien, niet betrokken, niet afleidbaar enz” met betrekking tot Turîya zijn bedoeld als een waarschuwing tegen het vormen van een begrip duidend op Turîya . Dat zou helemaal indruisen tegen de natuur van Bewustzijn : totaal ontdaan van verschijnselen , helemaal gelukkig en niet-twee”. Sâdhaka’s zijn geneigd tot zulke voorbarige oordelen die later blijken een vergissing te zijn.

Zo bv. de Mahâvâkya “Ik ben Brahman” (grote uitspraak uit de geschriften) spreekt niet over Turîya, maar benadrukt de Werkelijkheid, de Eeuwigheid en de Vrijheid van het Wezen van de mens, zijn eigen Zelf.

Commentaar : We zijn nu tot het onderwerp van het onderzoek gekomen, de onmiddellijke kennisname van het Hoogste Zelf in de toestand die men Turîya of de Vierde noemt. Maar eerst moeten we nog doen opmerken dat Turîya niet alleen de naam is die aan het vierde kwart van AUM, Atman gegeven wordt, of degene die de vierde toestand ervaart, maar ook het vierde kwart zelf .

Het vierde kwart is dus niet zoals voor de andere toestanden die hun eigen naam hebben, verschillend van naam naargelang degene die de toestand ervaart omdat object en subject samenvallen. In Turîya is de gekende toestand het eigen Zelf van de Kenner “Ik ben dit” en niets anders.

Turîya heeft geen enkele ervaring.

Het eerste deel van de shruti wijst op de gewone eerste drie kwarten van Aum Hij die een toestand ervaart ttz. Vishva, Taijasa en Prâjna. Maar Turîya is verschillend omdat hij geen ervaringen heeft. Tot dit “enkel bewustzijn” horen ook de” siddhi’s” of vervolmakingen zoals alwetendheid, helderziendheid, helderhorendheid, profetische visie, …maar omdat zij ook nog tot de gedachten behoren overdekken ze het waarnemen van het Zelf.

Turîya is niet Prâjna : een voelende massa die één en ongedifferentieerd is zonder waarneming, gedachte of actie is. In Turîja zijn de zintuigen en de mogelijkheden tot kennen allen present maar ze zijn beteugeld om Turîya toe te laten zich bewust te worden van de toestand die het” Zelf alleen” is : van de natuur van het Bewustzijn - in – essentie (11) .”

De shruti zet ons dus aan om van Turîya géén begrippen, geen voorstellingen te maken maar te wachten tot we het ervaren hebben. We zullen het ooit moeten ervaren want het is het niet te ontlopen doel van mens en mensheid.

Shruti 8

“Ditzelfde Atman is ook AUM bekeken als een syllabe, ook A+U+M, in

verschillende delen gezien als klank. De pâda’s zijn de letters A U M en de letters zijn de pâda’s als kwarten bekeken.”

Commentaar : De Mândûkya legt AUM uit als synoniem van Atman en Bewustzijn die doorheen de vier toestanden gaat met zijn vier kwarten. In deze shruti duidt het eerst de overeenkomst aan als een "unit" en dan als klank. Atman is één, de klank is één omdat deze bestaat uit één syllabe. De overeenkomst met klank is uitgebeeld door de verschillende klanken van de drie verschillende letters die elk staan voor Atman als Vishva = A, als Taijasa = U en als Prâjna = M.

Al de nadruk die de Mândûkya legt op de identiteit van Atman = AUM heeft tot doel te bewijzen dat :

Shruti 9

“Vaishvânara (of Vishva) die de waaktoestand als veld hebben, is A, de eerste letter omdat hij alles doordringend is, of de eerste is. Degene die dit weet zal al zijn verlangens vervuld zien en wordt de eerste.”

Commentaar : Shruti 3 heeft Vishva reeds behandeld. Zijn overeenkomst met A ligt in het feit dat Vishva, het hele universum doordringt, in zijn gedachten als de kenner (in waaktoestand), juist zoals de letter A in al de klanken van het alfabet doordringt en ten tweede, dat Vishva degene is die deze eerste toestand ervaart waardoorheen Atman passeert, juist zoals A als eerste letter van het alfabet, het hele alfabet doordringt (12).

Shruti 10

Taijasa, die de droomtoestand heeft als veld is U, de tweede letter, omdat hij superieur is of omdat hij tussen de twee staat. “ Hij bereikt superieure kennis”, hij die dit weet, hij wordt door allen als gelijke behandeld en zal niemand in zijn nakomelingschap hebben die geen kennis heeft van het Brahman.”

Commentaar : Taijasa, de Dromer wordt superieur geacht en boven Vishva, de Waker omdat hij niet geïnvesteerd is in de zintuigen die Vishva overheersen met al de krachtige illusies die zij scheppen. En ook superieur omdat hij als dromer dichter staat bij het vredige Kaivalya dat overheerst in Sushupti, de diepe slaaptoestand . Degene die deze waarheid kent is spiritueel superieur in betrekking tot degene die totaal onwetend is van dit, want dat bewijst dat hij een zoeker is en zich beweegt in de richting van de realisatie in Turîya .

De gelijkenis van Taijasa met de letter U bestaat erin dat hij staat tussen Vishva en Prâjna, zwemmend tussen de kusten van Jâgrat en Sushupti , zoals de U tussen A en M staat , “Hij is door allen als gelijke behandeld” omdat hij allen als gelijke behandelt als het Hoogste Brahman. Dat is superieure Kennis.

Shruti 11

Prâjna die diepe slaap heeft als veld is M, de derde letter van AUM omdat

hij de ‘maat’ is in dewelke allen één worden. Degene die dit weet kan meten en alle dingen in zichzelf begrijpen

Commentaar : Het Zelf dat diepe slaap ervaart staat in zichzelf , vrij van projecties (superimposities) (13) die op hem toekomen als hij functioneert als Vishva en Taijasa. Het Zelf is dan het zuivere Zijn, hetzelfde als in alle voelende wezens waar het onderscheid tussen mens en niet-mens niet bestaat. Het onderscheid dat Vishva en Taijasa wel waarnemen is geen verschil van natuur maar alleen van uiterlijke manifestatie (14). Dus dat verschil in waarneming versmelt tot éénheid van Zijn in Prâjna diepe slaap, maar komt terug als Prâjna terug ontwaakt als Vishva en Taijasa. Daarom is Prâjna de MAAT van alles. Zijn gelijkenis met M bestaat in het absorberen van Visjva en Taijasa in diepe slaap, zoals de klank M de klank A en U absorbeert wanneer het woord is uitgesproken. Degene die dit weet is de kenner van de ware natuur van de dingen.

Shruti 12

Turîya is niet verdeeld in delen (zoals de klanken), hij is onbegrijpelijk, hij is het ophouden van alle verschijnselen, het vredige en niet-twee AUM, is waarlijk identiek met Atman. Degene die dit weet gaat op in Atman.”

Commentaar : Deze shruti vergelijkt Atman niet met de letters van

A-U-M, omdat de drie andere, Vishva, Taijasa en Prâjna integreren in Turîya zoals de letters van A-U-M integreren in het woord AUM.

Als Turîya, treedt de mens als Ware Yogi in de volheid van zijn zelfrealisatie als dat zuivere, niet-twee, onveranderlijke Atman dat nooit iets anders is geweest dan zichzelf, alhoewel het “scheen” dat hij doorheen de drievoudige ervaring van de drie andere toestanden gegaan is.

Het is nu bewezen dat deze niets anders waren dan droom-achtige bewegingen van binnenin. Bewegingen die nu tot een absoluut einde gekomen zijn. Hij, Turîya realiseert nu pas de volle impact van de Mahâvâkya, “Ik ben Brahman” in complete identiteit ermee. Want Atman kennen is Atman zijn, is Brahman .

Voetnoten :

 

(1) Vedânta Meester Râmana Mahârishi 1879 – 1950.
”” aan zijn voeten ”:S.S. COHEN: Advaitic Sâdhanâ

(2) Vrede.

(3) Een van de duizend namen voor Vishnu. Hier het Hoogste Bewustzijn.

(4) Vishnu beschermer van de wereld.

(5) Vaishvânara : van alle mensen, universeel, “de mensheid”.

(6) Vishva : alles, overal.

(7) Zie laatste paragraaf van Shruti 3.

(8) Jivanmukta : De mens die zich tijdens zijn leven bevrijd heeft.

(9) Dat alles rondom hem “anders” is dan hijzelf en dat al die “anderen” nog eens onderling verschillen.

(10) De Natuur is hier herleidt tot leven en levensfuncties.

(11) Die van het Bewustzijn-in-essentie.

(12) Vb. a – ka, kha, ga, gha, ya, ra, la, va enz…

(13) Letterlijk “bovenopplaatsingen”. Term uit de Vedânta.

(14) Vb. een mens wordt onder invloed van zijn karma in zijn volgende manifestatie een sprinkhaan, hij blijft behoren tot de levende wezens.

 

Home